Verloskundige Marianne Wigbers vertelt

Marianne Wigbers…en daar gaat het gebeuren. Ze aarzelt niet, ze haalt heel diep adem en duwt met al haar kracht. “Pers maar door Anna, dat doe je goed.”

Het is vertrouwen wat ik zie, in zichzelf, en in haar lichaam.

“Ik kan dit! Ik wil dit en ik doe dit, omdat ik weet dat ik het kan, dat het kan.”

Voor mij is het spannend, spannender dan anders, misschien nog wel spannender dan alle andere keren. Ik wil het ook heel graag, dat ze het bewijst, aan mij, aan al die anderen, maar vooral aan zichzelf. Ik vaar mee op haar vertrouwen. Zij kan het, zij wil het, zij doet het, omdat we weten dat het kan.

Anna, de heldin in dit verhaal.

Ruim twee jaar geleden, stond ik hier ook. -Hoewel het bed toen met het hoofdeinde richting het raam stond, bedenk ik me nu.- Ik coachte haar door een dikke anderhalf uur persweeën, de zon kwam op, door de kier in het gordijn stroomde het daglicht naar binnen en een eivormig babyhoofdje met blonde haartjes werd geboren. Naast het hoofdje zag ik eerst een paar minuscule vingertopjes, waarna er een schattig klein handje verscheen. Ik zag in dat het passen en meten werd, en ik zag hoe het ietsje inscheurde. Voorzichtig begeleidde ik het gehele lijfje in een vloeiende ronde beweging naar buiten en liet moeders aanpakken. Het meisje huilde zelfs al voor de beide beentjes, hakjes, voetjes en teentjes, -tegelijk met een hele plens vruchtwater, opluchting en blijdschap- het bochtje namen. Een ontwikkeling volgens het boekje. De moederkoek volgde snel, het feest was compleet.
Tot ik inspecteerde hoeveel hechtingen er nodig waren.

‘Dit is iets wat ik niet thuis kan hechten,’ zei ik.
‘Dat geeft niet hoor,’ zei dappere Anna, ‘het is niet anders.’
‘Het vermoeden van een Totaalruptuur,’ meldde ik de gynaecoloog.
De onaangename ontdekking van de ruptuur drukte op mijn maag en ik had zin om ergens heel hard en vloekend tegenaan te schoppen. Ik bestelde een ambulance, vernam dat het nog wel even kon duren en we probeerden net te doen of het geen drama was. In de tussentijd legden we baby Reza aan de borst, aten een beschuitje met roze muisjes, hielpen Anna in een schoon T-shirt en zochten wat toiletspullen bij elkaar.
Anna hield moed, zij bood de ambulancebroeders zelfs koffie aan, iets wat vriendelijk lachend werd afgeslagen.
Nadat ik ze had uitgezwaaid, liet ik mijn humeur nog verder onder het nulpunt zakken en gooide al het ongebruikte instrumentarium met kracht terug in mijn verloskoffer. Wat een kater, na zo een leuk feestje.

‘Tjongejonge wat een K*T-bevalling.’ zei ik tegen de kraamverzorgster, terwijl wij samen de inderhaast verlaten kraamkamer weer omtoverden tot een gezellig schoon en fris slaapvertrek.
Anna zelf klaagde nauwelijks, en beleefde een heerlijke zomerse kraamweek op het verhoogde bed voor het openstaande raam.

Halverwege haar tweede zwangerschap bespraken we allerlei mogelijke scenario’s, waarbij het pijnlijke fenomeen ‘uitscheuren’ niet werd overgeslagen.

‘Hoe weet ik, dat het deze keer niet weer gebeurd?’
‘Kan ik het voorkomen?’
‘Moet ik dan perse worden ingeknipt?’
‘Mag ik wel weer thuis bevallen?’
‘Wat kan ik er zelf aan doen?’

Ik probeerde alle vragen zo goed mogelijk te beantwoorden en had net iets gelezen over een hulpmiddel wat ‘Epi-no’ heette. Waarbij ‘Epi’ voor de afkorting van Episiotomie (inknippen)staat en ‘No’ in dit geval voor ‘niet’.
Epi-no. Niet Inknippen, een methode waarbij je oefent met een opblaasbare siliconen ballon. Het klonk bijna al te simpel en ik wist niet precies wat ik er van kon verwachten, maar we namen het besluit er eentje te bestellen.

… daar sta ik dan, slechts een enkele wee verwijderd van het moment suprême. Opgelet, ik spreek mijzelf toe. Opgelet.
‘Pers nog maar een keer Anna, het gaat heel goed.’
Anna houdt niet in, ze haalt nogmaals heel diep adem en gebruikt alle kracht om haar baby verder te persen.
Vertrouwen, in zichzelf, en in haar lichaam.
-Ik kan dit! Ik wil dit en ik doe dit, omdat ik weet dat ik het kan, dat het kan.-

In de laatste zwangerschapsmaand had Anna dagelijks met het ballonnetje geoefend en mij daar onbevangen van op de hoogte gehouden. De oefening bleek even simpel als doeltreffend. Enige gêne moest wel overwonnen worden, om te beginnen bracht ze de lege ballon een klein stukje de vagina in en pompte hem daarna een miniem stukje op. De opgeblazen ballon duwde ze vervolgens, door kracht te zetten met haar bekkenbodemspieren, weer naar buiten. Iedere dag pompte ze de diameter iets groter.
In de wetenschap dat het breedste gedeelte van een bijna-geboren-babyhoofdje ongeveer negen centimeter meet, was die grootte het uiterste streven. Halverwege de maand, zo om en nabij de vijf, zakte de moed haar iets in de schoenen. Het was wat pijnlijk, ze wilde niets forceren en nam een paar dagen time out.

… de opening wordt inmiddels geheel gevuld met het gemouleerde kruintje. Vijf centimeter doorsnede schat ik zo, de huid staat op spanning, maar ziet nog prachtig roze -wat verloskundigtechnisch inhoudt: goed doorbloed, dus ruimte om door te gaan-. Het giert wat omhoog en omlaag van mijn maag naar mijn keel, mijn eigen kringspier heb ik volledig aangespannen.
‘Rustig aan, rustig aan. Het gaat hard zat.’
Ik zeg het tegen Anna, en ook tegen mezelf. ‘Rustig aan.’ De wee zakt wat af. Dat geeft ons de gelegenheid om te hergroeperen. ‘Nieuwe warme natte doeken!’ De kraamverzorgster rent al.
Hartje luisteren, onderlegger verschonen, handschoenen aantrekken, scharen en klemmen schikken.
Voorzichtig voel ik met het topje van mijn wijsvinger langs het randje, rond het gehele hoofdje is nog ruimte. Ik krijg een verse warme doek aangereikt en plaats deze strategisch tegen het opgerekte gebied.
‘Oh, prettig.’ Anna heeft de ogen gesloten, wappert met haar handen en wiebelt met haar tenen, en lijkt volkomen relaxed te wachten op de dingen die komen gaan.
Dat vertrouwen, dat het kan, dat het gaat passen, ik kijk er met bewondering naar.

‘Tien centimeter!’
Anna kwam de spreekkamer binnenlopen en vormde met haar handen triomfantelijk een rondje, de vingertoppen en duimen tegen elkaar. ‘Tien!’
Met nog een week te gaan tot de uitgerekende datum, had ze haar target bereikt en ze was er blij om. Het lukte haar om het ballonnetje op te pompen tot de gewenste grootte en het vervolgens voorzichtig weer naar buiten te duwen.
‘Goed hè?’
Ik vond het goed, en was zeker blij met haar geloof in het ballonnensysteem, maar kon dat unheimische gevoel onder in mijn buik niet helemaal negeren. Kun je een opgeblazen ballonnetje vergelijken met het geboren worden van een babyhoofdje, gevolgd door het lijfje, misschien tegelijk met opgeslagen armpjes en puntige elleboogjes? De vorm, de hardheid, de draaiing, het oude litteken.

… de opening vult zich meer en meer, en ik laat Anna puffen.
‘Zuchten meid, niet meer persen, alleen maar zuchten.’
Ik zucht met haar mee en houdt de warme doek tegen de steeds witter wordende huid. Ik zet me schrap, wat haarscheurtjes ontstaan. Ik vind het helemaal niet makkelijker gaan, niet soepeler, of elastischer, dat valt me tegen. Anna wil doorpersen en zet weer kracht, geen gedraal zegt haar houding. Ze is lenig genoeg om over haar buik heen te kijken en daar herkent ze opeens het bolletje met blonde haartjes.
‘Ik zie het, ik zie het komen, ik zie het hoofdje!’
‘Ho, ho ho.’
Dan passeert het breedste gedeelte. Het voorhoofdje, neusje, kinnetje, Anna perst en zucht en kijkt, ik houd mijn adem in. Ik zie geen vingertjes, geen handje, het hoofdje draait een schoudertje verschijnt.
Het gaat lukken, het gaat lukken. Ik denk het eerst, en zeg het dan hardop.
‘Het gaat lukken!’ Mijn stem slaat er van over, maar Anna wist het al. Ze grijpt naar haar kind en trekt het naar zich toe.
Hallelujah.
Daar is Mila.
Ik wacht niet op de placenta, mijn vochtige doek gebruik ik meteen als poetslap. Ik wil het zien, zeker weten, en wel nu. De kraamverzorgster richt op mijn verzoek de lamp. Een haarscheurtje in de linkerschaamlip, daar zal een hechting in moeten. Ik poets nog een keertje voorzichtig voor een kritische inspectie. Is dat werkelijk het enige?
Ja, verder helemaal gaaf.
GAAF!
Ik moet even zitten.
Wat een prachtige bevalling, en wat een mooi beroep. Mag ik even huilen? Of is dat ongepast.
Epi-no of niet, ze wist dat ze het kon, en ze deed het gewoon.
‘Zullen we koffie zetten?’ vraagt Anna.
Mijn heldin.

@poldervroedvrouw
okt 2012